Het pensioenakkoord: dit zijn de meest gestelde vragen

Na jaren van onderhandelen is er eindelijk een akkoord bereikt rond een nieuw pensioenstelsel. Vakbonden FNV en CNV zeiden afgelopen zaterdag ‘ja’ tegen het pensioenakkoord dat 5 juni werd gepresenteerd. Vandaag stemde ook VCP (Vakcentrale voor Professionals) in. Dit betekent dat het kabinet nu echt kan beginnen om het akkoord – samen met de sociale partners (werkgevers en werknemers) – uit te werken. Maar wat betekent dit akkoord nu precies voor u als deelnemer? Hoewel veel details nog ontbreken, zijn er ook zaken wél duidelijk. Hieronder vindt u de antwoorden op de meest gestelde vragen over het nieuwe pensioenakkoord.

21-06-2019

Ja, de AOW-leeftijd wordt de komende twee jaar bevroren op 66 jaar en 4 maanden. Daarna, tussen 2022 en 2024, zal de AOW-leeftijd geleidelijk oplopen naar 67 jaar. Vanaf dat moment stijgt de AOW-leeftijd mee met de levensverwachting in Nederland. Máár: minder snel dan nu. Nu is het zo dat een stijging van de levensverwachting met één jaar ook een stijging van de AOW-leeftijd met één jaar tot gevolg heeft. Door het pensioenakkoord gaat de AOW-leeftijd met acht maanden omhoog bij elk jaar dat we langer leven. Omgerekend naar maanden betekent dit dat als de gemiddelde levensverwachting na 2024 met meer dan 4,5 maanden is gestegen, de AOW-leeftijd met 3 maanden omhoog gaat. Het wetsvoorstel hiervoor ligt al bij de Tweede Kamer.

Het doel van het nieuwe pensioencontract is dat het eerder mogelijk wordt om te verhogen. Op welke termijn dit lukt, hangt af van de financiële situatie per fonds en van de toekomstige financiële ontwikkelingen. Wat in het nieuwe pensioencontract in ieder geval verandert, is dat pensioenfondsen niet meer – zoals nu het geval is – een reservebuffer van minimaal 25 procent nodig hebben om volledig te mogen verhogen. In het nieuwe stelsel vervalt die voorwaarde en mag een pensioenfonds al verhogen als de dekkingsgraad hoger dan 100 procent is. Of een fonds ook daadwerkelijk kan verhogen, hangt ook van andere factoren af.

In de aanloop naar het nieuwe pensioencontract kan door nieuwe regels de kans op het verlagen van de uitkering bij gepensioneerden en van het opgebouwd pensioen van (gewezen) deelnemers afnemen. Minister Koolmees heeft toegezegd dat pensioenfondsen niet hoeven te verlagen als de dekkingsgraad hoger is dan 100 procent. Die grens lag hoger – namelijk op 104,2 procent. De nieuwe grens van 100 procent zorgt er niet alleen voor dat de kans op verlagen kleiner wordt, maar ook dat deze verlaging een stuk minder is áls er verlaagd moet worden. Het niet hoeven verlagen boven een dekkingsgraad van 100 procent is een mooie stap voorwaarts. Maar of een fonds daadwerkelijk moet verlagen, hangt ook van andere regels af. De kans op verlagen is dus nog wel aanwezig.

Doordat fondsen in het nieuwe stelsel geen buffer meer hoeven te hebben, is het mogelijk om tijdens economisch goede tijden de pensioenen sneller te verhogen. Tegelijkertijd zorgt dit er ook voor dat er in economisch mindere tijden sneller zal worden verlaagd. Pensioenen kunnen zo flexibeler meebewegen met de economie, maar zijn dus ook gevoeliger voor ontwikkelingen daarbinnen.

De bevriezing van de AOW-leeftijd en de versoepelde regels voor het verlagen van de pensioenen gelden al vanaf 2020. Verder is het akkoord dat er nu ligt, een akkoord op hoofdlijnen. Veel zaken moeten dus nog verder worden uitgewerkt. Nu het akkoord rond is, gaat een stuurgroep van werkgevers, werknemers en de overheid ermee aan de slag. Het kabinet wil vanaf 2022 een wettelijk kader afhebben. Op het moment dat er meer duidelijkheid over is voor uw situatie, laten we dat natuurlijk zo snel mogelijk weten.

Omdat de AOW-leeftijd tijdelijk wordt bevroren, zullen deelnemers die nu 63 en 64 jaar zijn hier op korte termijn het meeste van merken. Hun AOW gaat nu immers acht maanden eerder in dan ze op basis van het huidige stelsel dachten. Voor mensen die nu 61 jaar of jonger zijn, stijgt de AOW-leeftijd wel degelijk. Maar minder snel dan nu.

Dit is wel een wens van het kabinet. Die wil het voor zelfstandigen namelijk mogelijk maken om zich vrijwillig aan te sluiten bij de pensioenregeling in de sector of de onderneming waar zij werken. Toch is het nog onduidelijk hoe dit in de praktijk moet worden vormgegeven.

Op lange termijn wordt het pensioenstelsel toekomstbestendiger. Deelnemers krijgen een persoonlijker pensioen, maar met bescherming. Het blijft dus mogelijk om risico’s met elkaar te delen. Doordat fondsen in het nieuwe stelsel geen buffer meer hoeven te hebben, is het mogelijk om tijdens goede economische tijden de pensioenen sneller te verhogen. Tegelijkertijd zorgt dit er ook voor dat er in economisch mindere tijden sneller zal worden verlaagd. Wat dit precies voor u betekent als deelnemer? Dit is nog niet bekend. Een stuurgroep van kabinet en sociale partners werkt het contract en de overgang naar het nieuwe stelsel verder uit. Daarna wordt er wetgeving gemaakt.